Afgewend

Onder het dekbed met de kraanvogels
leerden we vliegen, de nek volledig uitgestrekt
steeds hoger. We voegden naar elkaars vorm
en vroegen niets, gaven ruggengraat.

Op zwijgend satijn barst jouw lijf
alleen je taille vindt nog ademruimte
een uitsparing onder het laken. We zoeken
raakvlakken voorbij het broedseizoen.

Het is niet klaar: ik kan je nog laten lopen
in woorden, me optrekken aan jouw taal.
Ik strijk mijn veren in de holte van jouw rug
tussen de schouders waar ik vleugels waande.

Dit bericht is geplaatst in 52 gedichten met de tags . Bookmark de permalink.