Peilloos

Er zijn eerder vogels neergestreken op mijn hand
en in mijn kijken. Een uil landt waar hij al was
het is herkennen van gelijken

in de vlucht, waar vingers klauwen zijn en veren
de huid nabij. De uil daagt en ik doorzie hem
wij velen het donker. Laag bij de grond hoeden we

onze muizenissen. Wij wachten niet op lucht of licht
onze spanwijdte is imposant. Wat we missen
is een bodem voor de binnenkant.

Dit bericht is geplaatst in 52 gedichten met de tags . Bookmark de permalink.