Wie een pratende vis hoort mag een wens doen

Dat de helft van een mens uit vocht bestaat
cellen zakjes water zijn. Weet je dat nog?
Is het gek als ik zeg dat ik visser ben
en het aquarium. Een waterdrager

met zachte wanden, handen die algen
van glas halen. Met vragen. Waar ben je?
Hoe is het daar en vooral, hoor je mij?
Weerhaken, graten in een keel.

Vissen zinken niet. Ze zwemmen
gewichtloos als watergeesten.
Zo leef jij in elke cel van mij. Daar
probeer ik je te vangen, weer

blijkt mijn net te licht en uit de tijd.
Soms spring je op, een vis uit de kelk.
Ik hoor je stem, jij zwemt al terug
in onze oceaan. Ik laat je gaan.

Dit bericht is geplaatst in Geen categorie met de tags . Bookmark de permalink.